Ze zeggen dat rouw zachter wordt. Dat het slijt. Dat de tijd de scherpe randen eraf haalt.
Misschien is dat waar. Maar niet op de manier waarop mensen het vaak bedoelen.
Rouw verdwijnt niet. Het lost niet op. Het wordt niet kleiner, netter of makkelijker uit te leggen. Rouw blijft. Echt. Rauwer dan mensen soms durven toe te geven. Het heeft scherpe randjes, doet pijn, overvalt je en laat zich niet plannen. Ook niet na negen jaar.
En toch verandert het.
Niet omdat het gemis minder wordt, maar omdat je leert leven met de afwezigheid. Omdat verdriet zich langzaam verweeft met wie je bent. Omdat rouw niet alleen gaat over verliezen, maar ook over liefhebben. Over doorgaan. Over dragen wat blijft.
Vandaag liep ik door het bos in Duitsland. Mijn tweede thuis. Een plek waar familiebanden liggen, waar geschiedenis voelbaar is, waar een deel van mij geworteld is.
Ik ademde de frisse berglucht in en dacht aan mijn vader. Aan hoe hij dat ook deed. Hoe ik zijn stem nog hoor. Onze gesprekken. Onze discussies. Maar vooral: onze band.
En toen was daar ineens het gemis. Helder. Onmiskenbaar. Niet groots, niet dramatisch. Gewoon aanwezig.
En toen zag ik een witte vlinder.
In dat stille bos, op een plek waar niemand anders was, voelde het alsof hij even bij me was. Een klein vader-dochtermoment. Zomaar. Tussen de bomen. Mijn hart werd warm.
Dat is ook rouw.
Niet alleen het verdriet.
Ook de liefde die blijft.
De herinnering die ineens dichtbij komt.
De zachtheid die zich aandient na het gemis.
Ik mis hem nog steeds. Dat zal altijd zo blijven.
Maar de scherpe randjes zijn zachter geworden.
Niet weg.
Wel draaglijker.
Rouw is persoonlijk.
Ze komt wanneer ze komt.
In stilte. In geur. In een herinnering. In een witte vlinder.
En dat is oké.
Het betekent niet dat ik vastzit in verlies.
Het betekent dat ik heb liefgehad.
Dat ik leef.
Dat ik doorga.
Dat liefde niet stopt waar een leven eindigt.
Reactie plaatsen
Reacties