De eerste schoolmaand: Ons nieuwe normaal

Gepubliceerd op 16 september 2026 om 13:51

 

De eerste maand school zit erop en wat was het voor een maand.

We hebben inmiddels weer een soort van ritme gevonden. Maar jongens… wat was het zoeken naar dat ritme een uitdaging. Met veel vallen, weer opstaan en vooral heel veel geschreeuw, hebben we uiteindelijk onze draai weer een beetje gevonden.

Want eerlijk is eerlijk: de overgang van vakantie naar school is hier ieder jaar weer een dingetje.

De broodtrommelstress

Een van de grootste ochtendproblemen bleek iets heel simpels te zijn: wat gaat er vandaag mee in de broodtrommel?

Ik was serieus zo'n dertig minuten bezig om erachter te komen wat de kinderen nou eigenlijk mee wilden naar school.

“Wat wil je op je brood?”

“Ik weet het niet.”

“Wil je kaas?”

“Nee.”

“Jam?”

“Nee.”

“Worst?”

“Bah.”

“Maar wat wil je dan?”

“Geen idee.”

En daar stond ik dan. Met twee broodtrommels, een klok die steeds harder leek te tikken en een humeur dat met de minuut verder richting het nulpunt zakte. Het leverde vooral heel veel frustratie op. Bij hen én bij mij. En laten we eerlijk zijn: voor het humeur van de rest van het gezin is dat om half acht 's ochtends niet bepaald wenselijk. Dus besloot ik het anders aan te pakken.

Mijn beste vriend ChatGPT heeft een prachtige menukaart met pictogrammen voor beide kinderen gemaakt. Een echte keuze-kaart waarop ze kunnen aangeven wat ze die dag graag mee naar school willen. En jongens… wat een uitkomst.

De menukaarten worden 's avonds, meestal vol enthousiasme, ingevuld. Ze kunnen zelf aangeven wat ze de volgende dag willen eten en daardoor weet ik precies wat er in de broodtrommels moet.

Geen discussie meer. Geen “ik weet het niet”. Geen twintig vragen voordat er überhaupt een boterham gesmeerd is en vooral: rust in de ochtend. Wat ongelofelijk fijn.

Maar dan hebben we het ontbijt nog…

Want natuurlijk is daarmee niet ineens alles opgelost. Het ontbijt blijft hier een uitdaging. Iedereen op tijd aan tafel krijgen. Antwoord krijgen op de vraag wat ze willen eten. En vooral: accepteren dat zomaar iets neerzetten meestal geen optie is. Want wat ik neerzet, wordt niet automatisch gegeten en als ik heel veel geluk heb, blijft het ook daadwerkelijk op tafel staan.

Is dat oké?

Nee.

Zeker niet.

Maar…

Ik ben op een punt gekomen waarop ik niet meer ieder gevecht aan wil gaan. Want ik word er diep ongelukkig van als ik 's ochtends tegen mijn kinderen moet schreeuwen. Ik voel me daar achteraf slecht over en eerlijk gezegd is het effect ook nog eens ver te zoeken. Dus waarom zou ik mezelf iedere ochtend opnieuw die strijd in trekken? In plaats van de discussie aan te gaan, laat ik ze zelf kiezen. En lukt kiezen niet? Dan zijn er twee opties. Zo simpel kan het zijn.

Zelf keuzes maken

Ik geloof er namelijk heilig in dat kinderen van vijf en acht jaar al prima basic keuzes kunnen maken.

Waarom moet ik als moeder bepalen wat zij 's ochtends eten? Als ze uiteindelijk gewoon hun boterham opeten met chocopasta, pindakaas, kaas, worst of jam, dan ben ik een tevreden mens. Mijn kinderen worden goed verzorgd. Ze krijgen gevarieerd te eten. Ze krijgen liefde. Ze krijgen aandacht en ze weten precies waar de grenzen liggen. Want zelf mogen kiezen betekent natuurlijk niet dat alles mag. De regels zijn duidelijk. De kaders zijn duidelijk. En die kaders mogen best stevig zijn. Ze weten heel goed: binnen deze grenzen mag je zelf keuzes maken. Maar die grenzen gaan niet zomaar buigen omdat je geen zin hebt in wat er op tafel staat en misschien is dat wel precies wat we ze willen meegeven.

We voeden ze niet alleen op om vandaag hun brood op te eten of op tijd op school te komen. We voeden ze op tot zelfstandige mensen. Mensen die keuzes kunnen maken. Mensen die begrijpen dat keuzes consequenties hebben en mensen die leren dat je voor de meeste dingen in het leven iets moet doen.

Niets komt zomaar aanwaaien. Soms gaan dingen makkelijk en soms moet je er net wat meer effort in stoppen. Dat geldt voor school. Voor vriendschappen. Voor sporten. Voor werken. Voor het leven. En dus ook voor je ontbijt.

En toen kwam de BSO weer…

Alsof school alleen nog niet genoeg verandering was, ging ook de BSO weer van start.

Zes weken waren ze er niet geweest. Dat was een bewuste keuze van ons. Na alle ontwikkelingen van afgelopen zomer hadden we ervoor gekozen om die zes weken vooral samen te zijn. Geen volle agenda, geen opvang, geen moeten. Gewoon papa, mama en de kinderen. Maar ja… na zes weken 24/7 met papa en mama is de stap terug naar school én BSO best een flinke. Het wennen was dan ook lastig. En ergens is dat natuurlijk ook helemaal niet zo gek. Op school en op de BSO lopen ze braaf mee. Ze doen wat er van ze gevraagd wordt. Ze houden zich groot. Ze draaien mee. Ze luisteren. Ze passen zich aan. En dan komen ze thuis.

En dan… ontploft de boel.

Het lijkt soms wel alsof ze zich de hele dag keurig inhouden en thuis pas alles eruit komt. Alle emoties, alle spanning, alle frustratie, alles wat ze gedurende de dag hebben opgestapeld, alsof hun hoofd aan het einde van de dag gewoon vol zit.

Maar hoe leeg je een vol hoofd als je vijf of acht bent? Dat is precies wat ze nog moeten leren.

Ze voelen van alles, maar kunnen het niet altijd benoemen. Ze weten dat het te veel is, maar weten niet hoe ze het kwijt moeten raken en dus komt het eruit op de plek waar ze zich het veiligst voelen.

Thuis. Bij ons en hoewel dat op sommige dagen behoorlijk pittig is, probeer ik mezelf er steeds aan te herinneren dat dit óók iets betekent.

Dat ze zich blijkbaar veilig genoeg voelen om thuis alles los te laten. Dat betekent niet dat alles maar mag. Ook thuis zijn er grenzen. Ook thuis mag je niet zomaar alles afreageren op elkaar. Maar achter het gedrag zit vaak een kind met een hoofd vol prikkels en emoties, dat simpelweg nog niet weet hoe het daarmee om moet gaan en dus hebben wij na school niet alleen kinderen die moe zijn.

We hebben kinderen die leeg moeten lopen. De ene keer lukt dat met even helemaal niets doen. De andere keer met boos worden. Soms met huilen. Soms met een gigantische driftbui om werkelijk helemaal niets en soms weet ik het zelf ook gewoon even niet. Dan denk ik: jongens, we moeten nog eten, douchen, tandenpoetsen en naar bed. Kunnen we dit allemaal misschien iets makkelijker maken?

Maar zo werkt het natuurlijk niet. Een vol hoofd houdt geen rekening met de klok.

Niet ieder gevecht hoeft gevoerd te worden

En daar ben ik de afgelopen maand misschien wel het meest in veranderd.

Ook 's avonds ga ik sommige gevechten gewoon uit de weg. Niet omdat ik geen grenzen meer stel. Niet omdat ineens alles mag. Maar omdat ik inmiddels weet dat een gevecht aangaan met een overprikkeld kind vaak helemaal nergens toe leidt. Het levert mij vooral een enorme hoeveelheid frustratie op. Het kost me mega veel energie. En waarvoor eigenlijk?

Voor die rust waar ik zo naar verlang? Die komt er toch niet.

Dus als één van de twee aan het einde van de dag vanuit het diepst van zijn of haar ziel gilt:

“IK WIL IJSSSSSSSS!”

Dan kan ik natuurlijk zeggen: “Nee. Absoluut niet. Eerst eten. We hebben regels. Je eet je avondeten op en daarna krijg je misschien een toetje.” En dan kan ik me vervolgens dertig minuten opwinden omdat er gehuild, gegild, geschreeuwd en gediscussieerd wordt.

Of…

Ik kan even kijken. Is dit een kind dat mij bewust probeert uit te dagen? Of zie ik gewoon een overprikkeld kind dat echt even helemaal klaar is met de dag? En als ik dat laatste zie, dan denk ik tegenwoordig:

Weet je wat? Omkeerdag.

“Wat lijkt het me nu leuk om eerst een toetje te eten en daarna pas avondeten!”

En ja. Dan eten we ijs. Eerst. En daarna eten we ons avondeten.

Is dit pedagogisch verantwoord volgens de richtlijnen van de moedermaffia? Vast niet.

Maar eerlijk? Het interesseert me geen ene malle moer. Want het werkt. Voor ons.

En dat is misschien wel iets wat ik steeds beter leer als moeder: ik hoef niet iedere dag te voldoen aan het perfecte plaatje. Ik hoef niet iedere strijd te winnen. Ik hoef niet aan de buitenwereld uit te leggen waarom wij op dinsdagavond eerst ijs eten. Ik moet vooral zorgen dat mijn kinderen zich veilig voelen, dat er liefde is, dat er grenzen zijn en dat we elkaar een beetje heel houden. Soms betekent dat gewoon: vandaag eten we het toetje eerst. Morgen proberen we het weer volgens het boekje.

Of nou ja… Volgens ons boekje dan.

En wij leren leven met het nieuwe normaal

Want ondertussen speelt er natuurlijk nog iets veel groters. Wij leren leven met ons nieuwe normaal. Een normaal waarin een lieve moeder, schoonmoeder en oma ontzettend wordt gemist. En dat gemis zit door ons hele gezin heen.

Bij iedereen op een andere manier. De een praat er veel over. De ander misschien juist helemaal niet. De een mist haar op bepaalde momenten. De ander wordt ineens overvallen door een herinnering. Maar het is er. Iedere dag. En we moeten ermee dealen. Allemaal op onze eigen manier.

Gaat dat goed? Nou… Nee.

Niet altijd. Maar we leren.

We leren dat verdriet er mag zijn. Dat je soms een goede dag hebt en de volgende dag ineens weer volledig onderuitgaat. Dat je kunt lachen om een herinnering en vijf minuten later tranen in je ogen kunt hebben. En we leren vooral dat doorgaan niet hetzelfde is als vergeten. Want we moeten door. Dat weten we.

Maar doorleven betekent niet dat oma geen onderdeel meer is van ons gezin. Integendeel. We zoeken naar een nieuwe manier om haar erbij te houden. Door over haar te praten. Door verhalen te vertellen. Door herinneringen levend te houden. En soms gebeurt dat op de meest onverwachte momenten.

Zoals laatst.

Mijn man en zijn broers vroegen vroeger aan hun moeder:

“Wat eten we?”

En dan kwam steevast het antwoord:

“Husse met Prikke.”

Bij mij thuis in Rotterdam hadden we daar een iets minder charmante variant voor:

“Pleur maar in het pannetje.”

Oftewel, in normaal Nederlands:

Je ziet het wel als het op je bord ligt.

En laatst vroeg Mats:

“Wat eten we?”

En voordat ik het wist antwoordde ik:

“Husse met Prikke!”

Ik moest lachen.

Maar het volgende moment kwam er een reactie die ik totaal niet had verwacht. “Lekker mama. Oma Ans maakte dat ook altijd.”

En daar was ze ineens weer. Heel even. In een doodnormaal gesprek aan de keukentafel.

In een gerechtje. In een uitspraak. In een herinnering. In mijn kind.

En misschien is dát wel ons nieuwe normaal.

Niet doen alsof ze er niet meer is. Maar haar meenemen in ons leven.

In onze verhalen. In onze grapjes. In de dingen die we koken. In de woorden die we gebruiken. In de herinneringen die we doorgeven.

Want iemand missen betekent niet dat diegene geen onderdeel meer van je leven is. Soms betekent het juist dat je diegene op een andere manier met je meedraagt.

We zijn allemaal weer aan het leren

Misschien is dat wel wat deze eerste schoolmaand vooral is geweest. Niet alleen de kinderen moeten weer wennen.

Wij allemaal.

Aan het ritme. Aan school. Aan de BSO. Aan de drukte. Aan minder tijd samen. Aan meer prikkels. Aan emoties die soms groter zijn dan de kinderen zelf. Aan een moeder die er niet meer is. Aan een oma die ontzettend wordt gemist. En aan een nieuw normaal waarvan we eigenlijk nog helemaal niet weten hoe dat eruit moet zien.

We zijn er nog lang niet. Maar we zijn onderweg. We vallen. We staan weer op. We zoeken. We proberen. We lachen. We huilen. We maken fouten.

En soms eten we eerst een ijsje en daarna pas ons avondeten. Maar we gaan door. Samen.

En misschien is dat voorlopig ook genoeg.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.